Hans Deuss

De sfeer moet genoeg zijn voor de toeschouwer om als het ware in de complexe werelden die ik schilder te duiken.”

Hans Deuss (Amsterdam, 1948) voltooide zijn opleiding aan de Rietveld Academie in Amsterdam waar hij les kreeg van Melle en Herman Gordijn. Hier ontwikkelde hij zijn belangstelling voor het magisch realisme. Invloeden van met name Carel Willink (1900-1983) zijn dan ook in zijn werk te vinden. Hoewel schilderen tijdens de studie een bijvak was, besloot Deuss zich na het afstuderen toch enkel op schilderen te richten. Hij beschouwt zichzelf dan ook als een autodidact en heeft zo een eigen een stijl ontwikkelt. Als Deuss aan een schilderij wil beginnen, maakt hij eerst zeer gedetailleerde schetsjes om zijn ideeënwereld op papier te krijgen. Vervolgens selecteert hij de spannendste en werkt deze verder uit tot een schilderij. De kunstenaar vindt het belangrijk dat in de schilderijen de sfeer en de essentie van de schets behouden blijft. Het gekozen geheel wordt dan geschetst op het gewenste formaat en overgezet op doek. Deze schets vormt de onderschildering en de basis van het werk. Deuss hanteert een gelaagde techniek waarbij het schilderij uit drie of vier lagen olieverf is opgebouwd. Doordat deze lagen dun worden aangebracht blijven ze enigszins transparant en ondersteunen ze elkaar.

In het werk van Deuss lijkt de natuur een strijd aan te gaan met de menselijke aanwezigheid. Klassiek ogende, exotische gebouwen wedijveren met oprukkend groen: bomen en struiken dringen zich door constructies heen of doemen op in de verte. Lucht en water omringen de architectuur. Trappen leiden naar boven of beneden en geven het gevoel dat ontsnappen uit deze beklemmende situatie mogelijk is. De schilderijen geven een gevoel van grote ruimtelijkheid, doordat een verre horizon of een doorkijk het oog steeds naar buiten de voorstelling leidt. Daar lonkt de vrijheid.

De bouwsels die Deuss schildert zijn ontleent aan zowel zijn fantasie als de werkelijkheid. Het zijn flarden van herinneringen, aan bijvoorbeeld zijn kinderjaren toen hij in oude fotoboeken zat te bladeren, of aan reizen, zoals naar Mexico, waar hij de oude Aztekencultuur bezocht. Hij kan zich helemaal in zijn eigen wereld verliezen:

Ik probeer betekenis in mijn werk te brengen, iets dat met mijzelf te maken heeft. Iets dat me drijft of dat me bezighoudt. Het zijn toch uitingen van mijn gevoelens”.